Van ijstijdoverleving tot genetische diversiteit
Witte haaien (Carcharodon carcharias) stonden tijdens de laatste ijstijd op het randje van uitsterven. Toen was de zeespiegel ongeveer 40 meter lager dan vandaag, waardoor hun leefgebied drastisch verkleinde. Met het einde van de ijstijd zo’n 10.000 jaar geleden stegen de temperaturen, gletsjers smolten en de zeeën breidden zich uit – een comeback voor de witte haaien begon.
Volgens een recente studie in de Proceedings of the National Academy of Sciences overleefden de dieren aanvankelijk als één enkele, goed gemengde populatie in het zuidelijke Indo-Pacifische gebied. Pas ongeveer 7.000 jaar geleden begon de genetische splitsing in meerdere, geïsoleerde groepen. Vandaag zijn er drie genetisch verschillende populaties: in de Zuid-Pacific (Australië/Zuid-Afrika), in de Noord-Atlantische Oceaan en in de Noord-Pacifische Oceaan.
Toch blijft het totale aantal laag. “Wereldwijd zijn er waarschijnlijk slechts ongeveer 20.000 individuen,” legt medeauteur Gavin Naylor van het Florida Museum of Natural History uit. “In elke stad zijn er meer fruitvliegjes dan witte haaien op de hele wereld.”
Mysterieuze DNA-patronen en een theorie die wankelt
Al in 2001 vonden onderzoekers opvallendheden in het DNA van witte haaien uit Australië, Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika: terwijl het erfelijk materiaal in de celkern (nucleaire DNA) vrijwel identiek was, vertoonden de mitochondriën – die alleen via de moeder worden doorgegeven – sterke verschillen. Dit wees op zogenaamde filopatrische gedrag: vrouwtjeshaaien trekken weliswaar lange afstanden om te jagen, maar keren terug naar dezelfde plek om zich voort te planten.
Deze theorie hield stand gedurende twee decennia. Maar toen Naylor en zijn team 150 mitochondriale genomen en aanvullende nucleaire DNA-monsters analyseerden, bleek: de verschillen in het mitochondriale erfelijk materiaal kunnen niet door filopatrisch gedrag verklaard worden. Ook andere theorieën, zoals een onevenwicht in de geslachtsverhouding of reproductieve dominantie van individuele vrouwtjes, konden niet bevestigd worden.
Als het geen migratie is, wat dan wel?
Enige resterende hypothese: natuurlijke selectie. Maar ook dat lijkt onwaarschijnlijk – vooral gezien de kleine populaties. Om verschillen alleen in het mitochondriale erfelijk materiaal te laten manifesteren, zou de selectie extreem sterk moeten werken. Naylor blijft sceptisch: “De selectiedruk zou extreem dodelijk moeten zijn.”
De genetische geheimen van de witte haaien blijven dus voorlopig onopgelost. Eén ding is zeker: wie de top van de voedselketen bereikt, is niet noodzakelijkerwijs gevrijwaard van bedreigingen. De overlevingsstrijd van deze fascinerende dieren gaat door – en de wetenschap blijft ermee bezig.


