Er zwemmen meer dan alleen een paar haaien voor de Nederlandse kust. Rond Neeltje Jans in Zeeland treffen onderzoekers in de zomer talrijke gevlekte gladde haaien, waaronder steeds meer jonge dieren. Tijdens Sharkatag 2026 zijn geselecteerde dieren gevangen, gemeten, gemerkt en direct weer vrijgelaten.
Een reportage van NOS Jeugdjournaal volgde de werkzaamheden ter plaatse. Haaienonderzoeker Niels Brevé legt uit waarom vooral de kleinste dieren en grote vrouwtjes interessant zijn voor het project.
Een kleine Noordzeehaai in plaats van een tropisch roofdier
Het artikel gaat over de gevlekte gladde haai (Mustelus asterias). De Nederlandse naam gevlekte gladde haai verwijst naar de lichte vlekjes op de rug. De soort leeft dicht bij de bodem op het continentaal plat van de noordoostelijke Atlantische Oceaan en komt regelmatig voor in de zuidelijke Noordzee.
Deze gladde haaien vormen geen gevaar voor zwemmers en duikers. Hoewel hun lichaamsstructuur onmiskenbaar doet denken aan een haai, zijn hun kleine, nogal afgeplatte tanden ontworpen voor op de bodem levende prooien zoals krabben en andere ongewervelde dieren – niet voor grote prooien.
Vangen, meten, markeren, loslaten
De dieren worden gevangen met kleine haken en aas. Aan boord bepalen de teams het geslacht en de lengte, fotograferen de haaien en beslissen of taggen zinvol is. De dieren gaan dan zo snel mogelijk weer het water in. In de video wordt bijvoorbeeld een dier van 68 centimeter lang vrijgelaten zonder tag, omdat het niet binnen de doelgroep van dit jaar valt.
In 2026 ligt de focus op jonge dieren onder 50 centimeter en grote dieren van meer dan een meter, veelal volwassen vrouwtjes. De twee groepen kunnen aanwijzingen geven over waar de haaien hun jongen baren en welke gebieden de vrouwtjes daarvoor bezoeken.
Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen verschillende tags. Een eenvoudige externe Floy-tag verzendt niet voortdurend een GPS-positie. De tag draagt een identificatienummer en levert alleen nieuwe locatiegegevens op als een dier later wordt hervangen en gemeld. Elektronische of satellietzenders kunnen daarentegen aanzienlijk meer bewegingsgegevens registreren. De projectinformatie maakt daarom onderscheid tussen externe merken en zenders.
Meer dan 5.000 haaien getagd in 15 jaar
Het programma loopt al ongeveer 15 jaar. Volgens het NOS-artikel zijn er inmiddels ruim 5.000 haaien getagd. Dergelijke langetermijngegevens zijn bijzonder waardevol omdat individuele hervangsten pas na maanden of jaren laten zien welke routes de dieren gebruiken en of ze terugkeren naar bekende zomergebieden.
De gegevens tot nu toe laten een migratiepatroon zien dat varieert naargelang het geslacht. Veel volwassen vrouwtjes verlaten na de zomer de wateren van Zeeland zuidwaarts en kunnen migreren tot aan de Golf van Biskaje of Noord-Spanje. Een groot deel van de mannetjes migreert daarentegen noordwaarts richting Schotland en Noorwegen. In het voorjaar verschijnen er weer veel dieren in de Zeeuwse Voordelta.
Waarom de jonge dieren zo belangrijk zijn
Het NOS-item vat dit grofweg samen als twee tot tien jongen per vrouwtje per jaar. Dat is een grove jaarindicatie, geen bewijs dat ieder vrouwtje jaarlijks werpt: een onderzoek in Britse wateren vond vier tot twintig embryo’s per drachtig vrouwtje, terwijl een onderzoek naar de Noordoost-Atlantische populatie een draagtijd van circa twaalf maanden beschrijft, gevolgd door circa twaalf maanden rust, wat neerkomt op een ongeveer tweejaarlijkse voortplantingscyclus. Door die trage voortplanting is het extra belangrijk om ondiepe kustwateren die als werp- en opgroeigebied dienen te herkennen en te beschermen.
De Sportvisunie beschrijft de Voordelta als een belangrijke kraamkamer voor de gevlekte gladde haai, de ruwe haai en de gewone pijlstaartrog. Op basis van verschillende datasets werd het gebied ook afgebakend als Important Shark and Ray Area (ISRA). Een dergelijke wetenschappelijke classificatie duidt op een belangrijk leefgebied; dit kan echter niet automatisch worden gelijkgesteld met een juridisch bindend beschermd gebied.
Zijn warmere zeeën de oorzaak van de stijging?
Het NOS-artikel noemt warmer zeewater als mogelijke reden waarom de soort vaker wordt waargenomen voor de kust van Zeeland. De temperatuur heeft daadwerkelijk invloed wanneer gladde haaien ondiepe kustwateren gebruiken. Het is echter niet mogelijk om uit het korte rapport vast te stellen welk deel van de waargenomen toename direct toe te schrijven is aan klimaatverandering.
Visserijinspanning, gerichtere zoekacties, betere meldsystemen en veranderende omgevingsomstandigheden hebben ook invloed op het aantal haaien dat wordt geregistreerd. Meer waargenomen jonge dieren zijn dus een belangrijk positief signaal, maar vormen nog geen volledige populatietelling en zijn niet het enige bewijs van een specifieke oorzaak.
Bewegingsgegevens moeten tot bescherming leiden
Tagging beantwoordt niet alleen de vraag waar individuele haaien zwemmen. Het kan aantonen welke baaien, estuaria en trekroutes in bepaalde periodes van het jaar bijzonder belangrijk zijn. Hieruit kunnen gerichtere maatregelen worden afgeleid – zoals ruimtelijke bescherming van kraamkamers, zorgvuldiger omgaan met bijvangst of regels volgens welke gevangen haaien levend worden vrijgelaten.
De verheugende terugkeer van gevlekte gladde haaien voor de kust van Zeeland is daarom geen reden om de soort als buiten gevaar te beschouwen. Juist omdat de dieren zich langzaam voortplanten en lange grensoverschrijdende migraties ondernemen, hebben ze betrouwbare gegevens en gecoördineerde beschermingsmaatregelen nodig. De belangrijkste boodschap van de reportage is niet dat mensen bang moeten zijn voor Noordzeehaaien, maar dat hun kraamkamers aandacht verdienen.


